Ik heb af en toe nog wat app-contact met hem, zo houden we
elkaar op de hoogte. Hij schrijft dan vaak dat het steeds iets meer achteruit
gaat en dat hij het daar moeilijk mee heeft, maar dikwijls zit er ook nog een
knipoog en de bekende humor in zijn berichtjes. Ik vond het wel erg om dan te lezen
dat het achteruit ging, maar ik had lang niet door hoe slecht het werkelijk met
hem gaat. Toen ik hem een poos geleden vroeg of hij nog een keer naar Meppel wilde
komen, gaf hij aan dat dat echt niet meer ging. Toen besefte ik wel dat het waarschijnlijk
slechter ging dan ik kon inschatten over de app. Ik besloot hem dus op te
zoeken.
*
*
Hij deed zelf open en keek mij wel aan, maar met een daze
blik. Waar was die glimlach die ik altijd kreeg? Hij wist dat ik zou komen en
nodigde mij uit in zijn huis. Ik gaf hem drie kussen op de wang, maar dat leek
hij ongemakkelijk te vinden. In de woonkamer was zijn vrouw ook aanwezig en
schonk de koffie in. Hij ging op de bank zitten, met nog steeds diezelfde doffe
blik in zijn ogen. Herkende hij mij eigenlijk wel?
*
*
In het gesprek dat volgde nam zij vaak het woord. Soms dacht
ik: ‘Geef hem nou eens een kans om ook wat te vertellen’ en richtte ik dus
bewust het gesprek tot hem. Maar aan het eind van het gesprek snapte ik wel
waarom zij dat deed. Hij praatte mee. En ondanks dat dat veel moeilijker ging
dan eerder (met veel gedenk en gestotter tussendoor), ging dat nog behoorlijk
goed. Maar gaande het gesprek bleek wel dat dat nog zo’n beetje het enige was
dat hem redelijk goed afging en dat hij verder eigenlijk niet veel meer kon.
*
*
Hij herkende mij wel degelijk, maar dat kwam (volgens haar)
ook omdat hij wist dat ik kwam. Hij wist ook nog best veel te herinneren van onze
samenwerking. Toen we daar wat over doorpraatten, zag ik steeds meer van de bekende
collega terug en raakten we weer in de (voor ons) vertrouwde modus. Veel namen
wist hij niet uit zichzelf te noemen, maar herkende hij wel als ik ze noemde.
Een paar namen wist hij nog wel zelf. Maar of hij die collega’s ook zou
herkennen als hij ze op straat tegenkwam? Waarschijnlijk niet. Een aantal
anekdotes wist hij ook nog aan te vullen. En ja, soms zag ik zelfs heel even
een echte blik in zijn ogen als we het over iets grappigs hadden. Hij had net
als ik altijd erg genoten van onze samenwerking, dat wist ik wel, maar bleek nu
helemaal duidelijk. Maar daarna gleed hij dan weer snel terug in die doffe blik
en zakte ook letterlijk in elkaar (zittend op de bank) alsof hij afwezig was.
*
*
Ik vroeg hem of hij nog zelf koffie kon zetten. Volgens hem
zelf wel, maar zijn vrouw vulde aan dat het dan wel heel lang duurde voordat
hij het voor elkaar had. Ik vroeg hem hoe oud hij was. "44... toch? Of 46?", maar zijn vrouw corrigeerde hem: "Je bent 54." Lopen kan hij nog wel, maar hij is niet meer stabiel. Buitenshuis heeft hij dus een rollator nodig om niet te vallen. In zijn eigen
omgeving kan hij de weg nog een beetje vinden, maar verdwaalt hij ook steeds
vaker. Ergens anders kan hij binnen 50 meter al de weg kwijt zijn. De krant
leest hij nog steeds graag, maar niet meer vlot, hij moet langzaam spellen om
te snappen wat er staat. En als hij dan bij de tweede alinea is, weet hij
eigenlijk niet meer wat er in de eerste stond. Appen gaat nog, maar hij is
zeker een half uur bezig met een appje van twee regels. Dan vraagt hij aan zijn vrouw of het zo goed is, past zij het eventueel nog wat aan en dan kan hij het
versturen. Maar het gaat steeds moeilijker om te appen. Hij weet nu al vaak
niet meer hoe hij op zijn mobiel de juiste applicatie moet openen om te kunnen
appen. Over een poosje (paar weken? Maanden misschien?) zal hij dat dus
waarschijnlijk ook niet meer voor elkaar krijgen. Hij slaapt onrustig en weet
’s nachts bijvoorbeeld het toilet niet te vinden. Hij raakt in paniek als zijn
vrouw niet in de buurt is, waardoor zij 24/7 aan huis gekluisterd is en geen
kant op kan. Ze is dan ook tijdelijk gestopt met werken (zorgverlof) totdat hij
naar een verpleegtehuis gaat. Hopelijk zal dat niet lang meer duren (enkele
weken?).
*
*
Hij is zich heel erg bewust van zijn ziekte en dat maakt hem
ontzettend verdrietig. Daarentegen heeft hij geen inzicht in hoe erg het is.
Hij weet alleen dat hij veel minder kan dan eerder. Hij vertelt ook steeds dat
hij weet dat het allemaal moeilijker gaat en dat hij vroeger zoveel meer kon. Bij alles wat hij zegt kijkt hij haar vragend aan of het wel klopt. Als zij dan bevestigend knikt is hij gerustgesteld. Het frustreert hem dat hij constant moet inleveren en dat hij soms dingen doet
waarmee hij anderen kwetst. Volgens hem huilde hij niet veel, maar volgens haar
wel. Toen zij dat vertelde keek hij haar verrast aan: “Echt? Doe ik dat?” Zij
bevestigde. “O… nou kijk, als ik dat niet eens van mijzelf meer weet… zo erg is
het dus… ” en hij begon te huilen.
*
*
De gedachte dat hij naar een verpleeghuis moet, vindt hij
verschrikkelijk. Hij denkt zelf dat hij nog in een soort aanleunwoning kan
wonen, zodat hij nog redelijk zelfstandig is. Maar waarschijnlijk is het
daarvoor al te laat en zal hij ‘gewoon’ op een gesloten afdeling komen. Hij wil
zelf nog graag de vrijheid hebben om af en toe te kunnen wandelen. Maar volgens
haar wil hij dat wel, maar zal hij dat in de praktijk niet meer doen. Zelfs in zijn
eigen omgeving gaat hij eigenlijk zelden
de deur meer uit, enkel een klein blokje rond het huis om de hond uit te laten.
Maar uit zichzelf onderneemt hij eigenlijk niets meer.
*
*
Zij kan ondertussen
de zorg eigenlijk niet meer aan. Je ziet het ook aan haar. Met hoeveel liefde
ze het ook probeert te doen, ze is op. Omdat ze zelf in de zorg werkt, weet ze
hoe ze met hem om moet gaan. Hierdoor heeft ze het (te?) lang vol kunnen
houden. Nu het echt niet meer gaat, duurt het haar te lang voordat hij
opgenomen kan worden. Ze voelt het bijna alsof ze wordt gestraft voor haar
goede zorgen. Hij is daardoor namelijk minder een spoedgeval dan dat hij was
geweest bij iemand die niet wist hoe er mee om te gaan en waardoor er meer mis
zou lopen. Hij staat nu op de lijst bij meerdere verpleegtehuizen en is ondertussen
wel een ‘spoedgeval’. Zodra er een plekje vrij is, zal hij opgenomen worden. Daar
zal hij de laatste fase van zijn leven doorbrengen.
*
*
Toen ik wegging liep hij (achter de rollator) mee naar mijn
auto. Bij de auto barstte hij nog een keer in tranen uit. Hij vond het zo erg
dat hij zijn vrouw zo kwetste met zijn ziekte, dat had hij nooit zo gewild. Hij
had gewoon oud willen worden en vindt het oneerlijk dat hij op deze jonge
leeftijd eigenlijk geen leven meer heeft. Hij had ook nog graag
willen werken, ‘jong’ willen zijn en willen genieten van het leven. Maar hij
weet dat hij nooit meer beter wordt en dat hij enkel achteruit zal blijven
gaan. Hij snapt ook wel dat hij niet meer thuis kan wonen, maar vindt het een
ramp, voelt zich afgedankt. Hij vond het ontzettend fijn dat ik geweest was nu
hij mij nog herkende en zei dat hij hoopte dat hij mij volgende keer ook nog
zou herkennen, maar dat hij dat niet kon beloven. Hij gaf me (nu wél) uit
zichzelf een vertrouwde dikke knuffel en strompelde naar huis terug. Een uurtje later kreeg ik van hem nog een appje: ‘Hey Myriam, ik vond het hartstikke fijn
dat je er was en dat onze band zeer bijzonder is. Ik ben helemaal blij mee.’
Waarschijnlijk is hij dat meteen gaan typen toen ik wegging en heeft hij daar
dus bijna een uur over gedaan…
*
*
Door mijn ervaring in de zorg op een afdeling met
dementerende bejaarden weet ik wat er vanaf nu met hem gaat gebeuren. Vanaf nu wordt alles steeds vager voor hem en duikt hij de mist van zijn ziekte in. Ik heb
die lege, doffe blikken al zo vaak gezien, ik heb de mensen achteruit zien gaan… Die
mensen kende ik niet en kwamen binnen op het moment dat ze meestal rond de 80
(of ouder) waren. Maar wat voelt het anders als het iemand is die je ook kende
in zijn betere leven. Iemand die scherp was, een snelle denker waarmee je juist
zo fijn kon sparren. Iemand waarmee je zo lekker kon afreageren na een overleg dat moeilijk was verlopen. Iemand die veel te jong is voor deze kloteziekte. Het was
heftig en confronterend. Ik had mij flink gehouden bij hem, we hadden samen gelachen en gehuild. Maar misschien wel voor de laatste keer. Bewust althans. Ik reed dan ook met een knoop in mijn maag weg.


