dinsdag 17 januari 2017

Afscheid?

Ik heb af en toe nog wat app-contact met hem, zo houden we elkaar op de hoogte. Hij schrijft dan vaak dat het steeds iets meer achteruit gaat en dat hij het daar moeilijk mee heeft, maar dikwijls zit er ook nog een knipoog en de bekende humor in zijn berichtjes. Ik vond het wel erg om dan te lezen dat het achteruit ging, maar ik had lang niet door hoe slecht het werkelijk met hem gaat. Toen ik hem een poos geleden vroeg of hij nog een keer naar Meppel wilde komen, gaf hij aan dat dat echt niet meer ging. Toen besefte ik wel dat het waarschijnlijk slechter ging dan ik kon inschatten over de app. Ik besloot hem dus op te zoeken.
*
Hij deed zelf open en keek mij wel aan, maar met een daze blik. Waar was die glimlach die ik altijd kreeg? Hij wist dat ik zou komen en nodigde mij uit in zijn huis. Ik gaf hem drie kussen op de wang, maar dat leek hij ongemakkelijk te vinden. In de woonkamer was zijn vrouw ook aanwezig en schonk de koffie in. Hij ging op de bank zitten, met nog steeds diezelfde doffe blik in zijn ogen. Herkende hij mij eigenlijk wel?
*
In het gesprek dat volgde nam zij vaak het woord. Soms dacht ik: ‘Geef hem nou eens een kans om ook wat te vertellen’ en richtte ik dus bewust het gesprek tot hem. Maar aan het eind van het gesprek snapte ik wel waarom zij dat deed. Hij praatte mee. En ondanks dat dat veel moeilijker ging dan eerder (met veel gedenk en gestotter tussendoor), ging dat nog behoorlijk goed. Maar gaande het gesprek bleek wel dat dat nog zo’n beetje het enige was dat hem redelijk goed afging en dat hij verder eigenlijk niet veel meer kon.
*
Hij herkende mij wel degelijk, maar dat kwam (volgens haar) ook omdat hij wist dat ik kwam. Hij wist ook nog best veel te herinneren van onze samenwerking. Toen we daar wat over doorpraatten, zag ik steeds meer van de bekende collega terug en raakten we weer in de (voor ons) vertrouwde modus. Veel namen wist hij niet uit zichzelf te noemen, maar herkende hij wel als ik ze noemde. Een paar namen wist hij nog wel zelf. Maar of hij die collega’s ook zou herkennen als hij ze op straat tegenkwam? Waarschijnlijk niet. Een aantal anekdotes wist hij ook nog aan te vullen. En ja, soms zag ik zelfs heel even een echte blik in zijn ogen als we het over iets grappigs hadden. Hij had net als ik altijd erg genoten van onze samenwerking, dat wist ik wel, maar bleek nu helemaal duidelijk. Maar daarna gleed hij dan weer snel terug in die doffe blik en zakte ook letterlijk in elkaar (zittend op de bank) alsof hij afwezig was.
*
Ik vroeg hem of hij nog zelf koffie kon zetten. Volgens hem zelf wel, maar zijn vrouw vulde aan dat het dan wel heel lang duurde voordat hij het voor elkaar had. Ik vroeg hem hoe oud hij was. "44... toch? Of 46?", maar zijn vrouw corrigeerde hem: "Je bent 54." Lopen kan hij nog wel, maar hij is niet meer stabiel. Buitenshuis heeft hij dus een rollator nodig om niet te vallen. In zijn eigen omgeving kan hij de weg nog een beetje vinden, maar verdwaalt hij ook steeds vaker. Ergens anders kan hij binnen 50 meter al de weg kwijt zijn. De krant leest hij nog steeds graag, maar niet meer vlot, hij moet langzaam spellen om te snappen wat er staat. En als hij dan bij de tweede alinea is, weet hij eigenlijk niet meer wat er in de eerste stond. Appen gaat nog, maar hij is zeker een half uur bezig met een appje van twee regels. Dan vraagt hij aan zijn vrouw of het zo goed is, past zij het eventueel nog wat aan en dan kan hij het versturen. Maar het gaat steeds moeilijker om te appen. Hij weet nu al vaak niet meer hoe hij op zijn mobiel de juiste applicatie moet openen om te kunnen appen. Over een poosje (paar weken? Maanden misschien?) zal hij dat dus waarschijnlijk ook niet meer voor elkaar krijgen. Hij slaapt onrustig en weet ’s nachts bijvoorbeeld het toilet niet te vinden. Hij raakt in paniek als zijn vrouw niet in de buurt is, waardoor zij 24/7 aan huis gekluisterd is en geen kant op kan. Ze is dan ook tijdelijk gestopt met werken (zorgverlof) totdat hij naar een verpleegtehuis gaat. Hopelijk zal dat niet lang meer duren (enkele weken?).
*
Hij is zich heel erg bewust van zijn ziekte en dat maakt hem ontzettend verdrietig. Daarentegen heeft hij geen inzicht in hoe erg het is. Hij weet alleen dat hij veel minder kan dan eerder. Hij vertelt ook steeds dat hij weet dat het allemaal moeilijker gaat en dat hij vroeger zoveel meer kon. Bij alles wat hij zegt kijkt hij haar vragend aan of het wel klopt. Als zij dan bevestigend knikt is hij gerustgesteld. Het frustreert hem dat hij constant moet inleveren en dat hij soms dingen doet waarmee hij anderen kwetst. Volgens hem huilde hij niet veel, maar volgens haar wel. Toen zij dat vertelde keek hij haar verrast aan: “Echt? Doe ik dat?” Zij bevestigde. “O… nou kijk, als ik dat niet eens van mijzelf meer weet… zo erg is het dus… ” en hij begon te huilen.
*
De gedachte dat hij naar een verpleeghuis moet, vindt hij verschrikkelijk. Hij denkt zelf dat hij nog in een soort aanleunwoning kan wonen, zodat hij nog redelijk zelfstandig is. Maar waarschijnlijk is het daarvoor al te laat en zal hij ‘gewoon’ op een gesloten afdeling komen. Hij wil zelf nog graag de vrijheid hebben om af en toe te kunnen wandelen. Maar volgens haar wil hij dat wel, maar zal hij dat in de praktijk niet meer doen. Zelfs in zijn eigen omgeving  gaat hij eigenlijk zelden de deur meer uit, enkel een klein blokje rond het huis om de hond uit te laten. Maar uit zichzelf onderneemt hij eigenlijk niets meer.
*
Zij kan ondertussen de zorg eigenlijk niet meer aan. Je ziet het ook aan haar. Met hoeveel liefde ze het ook probeert te doen, ze is op. Omdat ze zelf in de zorg werkt, weet ze hoe ze met hem om moet gaan. Hierdoor heeft ze het (te?) lang vol kunnen houden. Nu het echt niet meer gaat, duurt het haar te lang voordat hij opgenomen kan worden. Ze voelt het bijna alsof ze wordt gestraft voor haar goede zorgen. Hij is daardoor namelijk minder een spoedgeval dan dat hij was geweest bij iemand die niet wist hoe er mee om te gaan en waardoor er meer mis zou lopen. Hij staat nu op de lijst bij meerdere verpleegtehuizen en is ondertussen wel een ‘spoedgeval’. Zodra er een plekje vrij is, zal hij opgenomen worden. Daar zal hij de laatste fase van zijn leven doorbrengen.
*
Toen ik wegging liep hij (achter de rollator) mee naar mijn auto. Bij de auto barstte hij nog een keer in tranen uit. Hij vond het zo erg dat hij zijn vrouw zo kwetste met zijn ziekte, dat had hij nooit zo gewild. Hij had gewoon oud willen worden en vindt het oneerlijk dat hij op deze jonge leeftijd eigenlijk geen leven meer heeft. Hij had ook nog graag willen werken, ‘jong’ willen zijn en willen genieten van het leven. Maar hij weet dat hij nooit meer beter wordt en dat hij enkel achteruit zal blijven gaan. Hij snapt ook wel dat hij niet meer thuis kan wonen, maar vindt het een ramp, voelt zich afgedankt. Hij vond het ontzettend fijn dat ik geweest was nu hij mij nog herkende en zei dat hij hoopte dat hij mij volgende keer ook nog zou herkennen, maar dat hij dat niet kon beloven. Hij gaf me (nu wél) uit zichzelf een vertrouwde dikke knuffel en strompelde naar huis terug. Een uurtje later kreeg ik van hem nog een appje: ‘Hey Myriam, ik vond het hartstikke fijn dat je er was en dat onze band zeer bijzonder is. Ik ben helemaal blij mee.’ Waarschijnlijk is hij dat meteen gaan typen toen ik wegging en heeft hij daar dus bijna een uur over gedaan…
*
Door mijn ervaring in de zorg op een afdeling met dementerende bejaarden weet ik wat er vanaf nu met hem gaat gebeuren. Vanaf nu wordt alles steeds vager voor hem en duikt hij de mist van zijn ziekte in. Ik heb die lege, doffe blikken al zo vaak gezien, ik heb de mensen achteruit zien gaan… Die mensen kende ik niet en kwamen binnen op het moment dat ze meestal rond de 80 (of ouder) waren. Maar wat voelt het anders als het iemand is die je ook kende in zijn betere leven. Iemand die scherp was, een snelle denker waarmee je juist zo fijn kon sparren. Iemand waarmee je zo lekker kon afreageren na een overleg dat moeilijk was verlopen. Iemand die veel te jong is voor deze kloteziekte. Het was heftig en confronterend. Ik had mij flink gehouden bij hem, we hadden samen gelachen en gehuild. Maar misschien wel voor de laatste keer. Bewust althans. Ik reed dan ook met een knoop in mijn maag weg.

Afbeeldingsresultaat voor vaag

zondag 13 november 2016

Een Holleeder

Ik geef het toe: ik ben geobsedeerd door slechte mensen.
Nou ja, geobsedeerd… dat moet ik ietwat nuanceren, want ik wil natuurlijk niet als een of andere obsessieve freak te boek staan. Maar ik vind het wel zo interessant dat ik het boek van Astrid Holleeder geen dag in de winkel kon laten liggen. Net zoals ik het boek van Fritzl (je weet wel, die Oostenrijker, die zijn dochter 24 jaar lang opsloot en 7 kinderen bij haar verwekte… walgelijk!) gewoon MOEST hebben.
*
Ik wil het snappen. Ik wil weten hoe het zover heeft kunnen komen. Ik wil weten in hoeverre zij zelf beseffen wat zij doen en wat zij aanrichten. Hoe zij zich daarbij voelen en of zij zichzelf nog in de spiegel kunnen aankijken. Of dat zij gewoon fluitend naar hun werk gaan, het goedpraten en dat ook nog echt geloven. Maar wat ik nog het meest interessant vind, is hoe de omgeving het totaal niet doorheeft en die ‘slechte’ mensen gewoon sympathiek, aardig en charmant vindt. Theoretisch gezien kan dus iedere buurman zo een persoon zijn.
*
Nou ja, de mijne niet natuurlijk. Die is altijd even vriendelijk en aardig. Hij helpt mij, door elke week de kliko’s buiten te zetten, omdat ik daar nooit aan denk. Hoewel, waarschijnlijk denk ik er niet aan omdat ik weet dat hij het doet. Maar hoe dan ook, hij is vriendelijk en behulpzaam. Hij groet altijd, maakt een gezellig praatje met iedereen en snauwt nooit tegen zijn vrouw.
*
Maar stel, stél dat het allemaal wel mooi en gezellig oogt, maar dat hij achter de gesloten voordeur een heel andere kant blijkt te hebben, een verschrikkelijke huistiran blijkt te zijn. Stél dat hij dan zijn vrouw kleineert, treitert, uitscheldt, manipuleert, het bloed onder haar nagels vandaan haalt en zijn woede niet onder controle heeft. Stél dat hij geregeld dreigt haar te verlaten (of vermoorden) als ze ook maar iets doet wat hem niet aanstaat… En stél dat ze ondanks alles toch van hem blijft houden en bij hem wil blijven. Dat ze wel van zijn gedrag verlost wil zijn, maar niet van hem…
*
Zou iemand hebben geloofd hoe erg Fritzl was voordat het uitkwam wat hij zijn dochter al die jaren had aangedaan? Dat Holleeder een psychopaat was, konden we wellicht allemaal raden, maar zouden we hebben geloofd hoe erg hij zijn familie tiranniseerde als zijn zusje niet het bewijs had verzameld en dit boek had geschreven? En zou ik mijn buurvrouw geloven hoe erg het was als ze huilend bij mij voor de deur stond en zei dat ze het na al die jaren echt niet meer trok met die o-zo-vriendelijke buurman?



dinsdag 1 november 2016

Lange tanden


“Waarom heb je er nou peultjes doorheen gedaan? Je weet toch dat ik daar niet van houdt?” Ja, dat weet ik. Net zoals ik weet dat hij niet van paprika houdt; niet van champignons; niet van tomaten; niet van olijven; niet van vis; niet van aubergine; niet van blauwkaas; niet van asperges; niet van… zucht … Hij is nou eenmaal niet zo gek op gezonde dingen. Daar kan hij toch niets aan doen? En, o ja, van fruit is hij ook niet zo’n fan, behalve dan van aardbeien en ananas (opnoemen wat hij wel lust gaat nou eenmaal een stuk sneller). Wil ik mijn zoon dagelijks een goede en gevarieerde maaltijd voorzetten, waarbij hij niet met lange tanden zit te eten, moet ik van goeden huize komen.
*
Ik dacht toch echt dat ik mijn kinderen alle vier ongeveer hetzelfde had opgevoed. Maar, waar kind twee en drie alles lijken te lusten, zijn de oudste en jongste werkelijk een ramp voor iedere moeder die net een uur in de keuken heeft gestaan.
*
Hoe is het mogelijk dat twee van mijn kinderen altijd stralend de keuken in komen en watertandend het deksel van de pan optillen om de geur van de koriander op te snuiven, waar de andere twee mij argwanend en afkeurend aankijken? En hoe kan het dat ik twee van mijn kinderen het meest kan verwennen met een ‘foute’ vette hap, chips en zoetigheid, waar de andere twee de fruitschaal plunderen en dolgelukkig zijn als ik biologisch en vers kook?
*
Vraag mijn zoon wat hij het liefst eet en hij komt standaard met P-voedsel aanzetten (Pannenkoeken, Pizza, Pasta –maar dan wel zonder ‘prutjes’, liefst enkel met gehakt en kaas-, Patat…) of met een groot stuk vlees (biefstuk gaat er in als koek). Vraag mijn dochters wat zij willen eten en je ziet de blikken dromerig worden, waarna zij de meest gezonde gerechten opnoemen: zalm, met geitenkaassalade en noten. Nee, nog lekkerder: gevulde pattison met garnalen, lente-ui, aubergine en rode ui. En dan het liefst nog een pompoensoepje vooraf.
*
Maar er is licht aan de horizon. Mijn oudste dochter heeft bedacht dat ze voortaan meer gaat lusten. Waar zij jaren protesteerde bij de meeste gerechten, en enkel gezond is gebleven omdat ze toevallig wel rauwkost lustte (goddank!), wordt langzamerhand haar repertoire wat uitgebreider. Elke keer als zij nu thuis komt, vertelt ze vol trots welke drempel zij nu weer heeft overwonnen. Ik denk dat ze, tegen de tijd dat ze 80 is, wel ongeveer alles lust.
*
Maar mijn zoon…? Tja, jongens lopen altijd wat achter… en dan worden mannen ook nog eens minder oud dan vrouwen… Het zal er om spannen!